Angst- en piekerstoornis

Algemeen

Bij angst- en piekerstoornis ben je altijd bang over allerlei dingen uit het dagelijks leven. U bent bijvoorbeeld steeds erg bezorgd over uw werk, de kinderen, de vakantie, over wat u allemaal moet betalen of wat er in de toekomst zou kunnen gebeuren.

Symptomen

  • piekeren
  • rusteloosheid
  • prikkelbaarheid
  • slechte concentratie
  • gespannenheid
  • moeheid
  • spierklachten
  • slaapproblemen

Op momenten dat de angst overheerst:

  • hartkloppingen, zweten, koude rillingen, duizeligheid, beven
  • benauwdheid, een vervelend gevoel in de borst
  • tintelingen of een doof gevoel in handen en/of voeten
  • droge mond, misselijkheid, maagpijn, braken of diarree
  • hoofdpijn, rood worden, flauwvallen
  • verwarring: u weet niet meer goed wie of waar u bent
  • het gevoel dat u de controle over uzelf verliest, gek wordt of doodgaat

Vermijden van spanningen

  • vermijden van nieuwe, onbekende situaties.
  • spanningen in relaties bespreekt u liever niet.
  • confrontaties gaat u uit de weg.

Vluchten voor spanningen

  • vluchten voor spanningen door in bed te gaan liggen.
  • zorgen en angst verdringen door veel te eten, alcohol, drugs of kalmerende middelen.
  • het liefst wilt u dat anderen uw problemen oplossen.

Oorzaken

Waarom iemand een angst- en piekerstoornis krijgt, is vaak niet helemaal te verklaren. Meestal zorgen verschillende omstandigheden ervoor:

  • Familiair, erfgelijkheid.
  • Het gezin waarin iemand opgroeit en de manier waarop ouders een kind opvoeden.
  • Moeilijk kunnen omgaan met mensen, weinig steun ontvangen, gepest worden en zich eenzaam voelen.
  • Na een ernstige, ingrijpende gebeurtenis waarin iemand heel bang was (psychotrauma).
  • Lichamelijke ziekte, medicatie of het gebruik van drugs.

Diagnose

Op basis van klinische kenmerken.

Beleid

Adviezen:

Gezond leven

  • Bewegen
  • Goed eten
  • Genoeg slapen
  • Regelmatig leven. elke dag op dezelfde tijd naar bed gaan en opstaan. 3 keer per dag op baste tijden eten.
  • Geen alcohol en drugs gebruiken.
  • Minder koffie drinken.
  • Ontspannen. Bijv.: rustig ademen, meditatie of ontspanningsoefeningen. Wandelen of iemand opbellen. Zoek steun bij mensen die u vertrouwt.

Zo veel mogelijk alles blijven doen

Door de dingen te blijven doen die u eng vindt, leert u met de spanning omgaan. De angst voor bepaalde situaties wordt daardoor minder. Het is goed om te weten dat angst na een tijdje meestal vanzelf minder wordt. Het geeft u misschien de moed om toch de dingen te doen die u eng vindt.

Uw gedachten proberen te veranderen

Probeer te leren de angstige klachten te veranderen.

  • Uw ervaringen opschrijven in een dagboekje.
    – Schrijf op wat er precies gebeurt op angstige momenten.
    – Waar denkt u dan aan?
    – Waar bent u bang voor?
    – Wat voelt u?
    – Hoe reageert u hierop?
    – En wat doet u dan?
  • Geruststellende gedachten oproepen.
    – Kijk of er wel een reden is om zo bang te zijn.
    – Bedenk vervolgens welke geruststellende gedachten u kunnen helpen.
    – Schrijf deze gedachten op zodat u ze op moeilijke momenten kunt nalezen.

Erover praten

  • Bespreek met uw arts of uw medicatie een rol kunnen spelen.
  • Bij werk gerelateerde klachten bespreken met de werkgever en bedrijfsarts.
  • Als de klachten vooral met problemen in uw gezin te maken hebben:
    • Erover praten kan helpen, bijv. met een vriend, vriendin, broer of zus.
    • Ga ook naar uw huisarts om over uw zorgen te praten.

Informatie opzoeken / cursussen volgen

  • U kunt ook boeken of websites lezen en filmpjes bekijken. U kunt ook een zelfhulpmethode gebruiken, een groepscursus of een online cursus volgen. Met uw behandelaar bespreekt u steeds hoe het met u gaat. Hij/zij steunt en begeleidt u.
  • Als u drugs of alcohol gebruikt: zoek uit welk effect alcohol / drugs hebben op uw klachten. Gebruik hiervoor het alcoholdagboek

Gespreken via uw behandelaar

Bijv. via de huisarts, de praktijkondersteuner GGZ

Cognitieve gedragstherapie

  • Leren anders te denken, waardoor de angst verdwijnt.
  • Oefenen met moeilijke situaties (dit heet exposure in vivo)
  • Gedrag afleren.

Andere therapieën

Vaktherapie
Dat is een verzamelnaam voor verschillende therapieën waarbij je niet alleen praat met een hulpverlener, maar ook dingen doet, zoals muziek maken (muziektherapie) of beeldend werken (beeldende therapie). Kijk voor meer informatie op vaktherapie.nl

Aanvullende behandelwijzen
Veel mensen kiezen een aanvullende behandelwijze om te proberen hun klachten te verminderen. Bijvoorbeeld mindfulness, yoga, ontspanningsoefeningen, lichaamswerk of running therapie. Anderen kiezen voor kruiden, zelfzorgmedicijnen of pijnstillers.

Medicatie

citalopram , fluoxetine , paroxetine , sertraline , amitriptyline , nortriptyline (werken na 3-4 weken)

  • Bijwerkingen eerste weken: meer angst, droge mond, maag-darmklachten, slaperigheid of slapeloosheid, zweten, minder zin in vrijen, later gewichts toename.
  • Om toename angst in eerste weken tegen te gaan: 1-2 weken kalmeringsmiddelen (benzodiazepines) slikken, zoals diazepam of oxazepam.
  • Als goed gaat, nog 6 maanden door gebruiken en dan kijken of je het kan afbouwen met elke maand te halveren.

Bijlagen

Referentie: Thuisarts

Meer informatie: